Kleuterklas
In het reguliere onderwijs worden de kleuterklassen groep 1 en 2 genoemd. Op de vrijescholen blijven we van kleuterklassen spreken om het eigene van deze periode tot zijn recht te laten komen. De kleuters verkeren nog in een verwonderde, dromerige staat, zij krijgen nog geen les. Zij leren en groeien op een andere manier. Bijvoorbeeld via het vrije spel. Er zijn weinig jaren in het leven waarin zoveel geleerd wordt als in de kleutertijd. Een kleuter leert spelend, al doende, nabootsend en ontdekkend. Door vooral te leren met het hoofd op deze leeftijd ga je in onze visie voorbij aan het wezen van de kleuter. Het pedagogisch uitgangspunt voor de kleuterklas is dan ook: doen.
Kinderen leren in onze kleuterklas onder andere: vaste gewoontes, ordenen, sociaal omgaan met elkaar en er is aandacht voor de taal.
In de warme en omhullende sfeer van de kleuterklas schept de leerkracht de tijd, de mogelijkheden en de ruimte waarbinnen elk kind zich geborgen weet en tot ontplooiing kan komen. De leerkracht speelt in op de kracht van de verwondering die bij de kleuters nog zo sterk aanwezig is. Er wordt eenvoudig speelgoed van natuurlijk materiaal aangeboden en steeds weer worden de kinderen hierdoor uitgenodigd tot uitgebreid fantasiespel en sociaal gedrag. De bankjes en tafels worden vliegtuigen, huizen, evenwichtsbalken, boten, een mollengang, wat ze maar bedenken.
Elke ochtend begint met het samenkomen in de kring. De kinderen zingen een ochtendlied, mijnheer Muis wordt wakker gemaakt en de dag begint. Eerst spelen de kinderen onder leiding van hun juf een geleid spel wat meestal een seizoenskarakter heeft; bijvoorbeeld een spel rond “Koning Winter”. Daarna is er ongeveer 1,5 uur gelegenheid om vrij te spelen. Na het spelen wordt de klas weer opgeruimd. De kinderen hebben ook hun eigen taken.
Jonge kleuters krijgen een kleine taak, grote kleuters helpen vaak uit zichzelf al ijverig mee. Wanneer de klas opgeruimd is gaan we aan tafel. De tafel wordt zorgvuldig gedekt. De kinderen eten hun meegebrachte of op school gebakken brood op en er wordt wat bij gedronken. Na het eten gaan ze naar buiten om te spelen of te wandelen. Dan volgt een gezamenlijke activiteit zoals tekenen, schilderen, boetseren met bijenwas of knutselen. Elke dag heeft een vaste activiteit. Aan het eind van de dag wordt er een verhaal verteld. Meestal is dit een sprookje.